Nacht over Titicaca………… een bijzonder reisverhaal

Het Titicacameer is het legendarische, op één na grootste meer van Zuid-Amerika*, met een oppervlakte van 8340 km², gelegen in de Andes tussen Peru en Bolivia op 3812 meter boven de zeespiegel. Het is hiermee tevens het hoogste commercieel-bevaarbare meer ter wereld. De diepte is gemiddeld 140 – 180 meter, maar op enkele plaatsen is het zelfs 280 meter diep. Er monden 25 rivieren in uit maar geen daarvan is van bijzondere betekenis. In het meer liggen 41 eilanden, en de meeste zijn bewoond: enkele hiervan worden bewoond door de Uros indianan, die hun eilanden zelf van riet gemaakt hebben. Bij hoog water drijven ze…

Met het hoogstgelegen spoorlijntje ter wereld ben ik ooit eens naar Huancayo, in Peru, gereisd, en van daaruit naar Puno, om de volgende ochtend naar het Amazonegebied door te vliegen. Maar éérst wilde ik – en met mij nog een man/vrouw of tien uit een reisgroep – die ene speciale tocht over dat bijzondere Titicacameer maken.

We vonden aan de haven een oude “kapitein”, die zichzelf en twee primitieve motorbootjes in de aanbieding had, en die daar ook een tweede schipper bij wist te vinden. We kwamen vervolgens een schappelijke prijs overeen en voeren tegen één uur ’s middags het Titicacameer op.

Aan land gingen we niet bij één van die drijvende eilanden, al zagen we ze wel, maar de beschikbare tijd liet dat niet toe. Alleen op Taquile, een bewoonbaar gemaakte bergtop, gingen we van boord. De bevolking was er nog heel authentiek gekleed en leefde hoofdzakelijk van kunstnijverheid (deels voor eigen gebruik maar zeker ook voor toeristen). Opvallend daarbij was dat het vooral de mannen waren die breiden: héél fijn breiwerk, op pennen zo dun als spelden, en vaak breiden ze al pratend terwijl ze er ook nog heel relaxed bij rondliepen…

Hoewel het snikheet was leek iedereen wollen kleding te dragen; niet veel later zouden we ook begrijpen waarom. Tegen drieën werd het aangename lichte briesje namelijk ‘n echte wind, en die wind wakkerde vervolgens weer heel snel aan tot een orkaan.

We zouden tegen vieren de terugreis aanvaarden maar de schipper vertelde ons dat we niet konden uitvaren: we moesten wachten tot die wind ging liggen. Intussen was het ook flink koud geworden en veel sneller dan verwacht kwamen dus de zojuist gekochte – of nog snel te kopen! – mutsen en truien goed van pas!
Het werd bovendien snel donker.

De schipper wees ons een schuur met ruwhouten banken en een stapel paardendekens. Een van ons ging met de pet rond en met de opbrengst kochten we Cola en kaarsen.
De schipper verdween nu ook in de kroeg waar de kapitein al een paar uur zat: ze zouden ons komen halen zodra we konden uitvaren.

Die namiddag en avond vulden we met het elkaar vertellen van sterke verhalen. Een wat nerveuze spanning was en bleef voelbaar: wannéér zou die wind gaan liggen? Iemand besloot in de kroeg te gaan informeren. Tja, die wind…. het kon best morgenochtend worden voordat we weer konden varen. De stemming leed eronder, en de nacht was lang, maar niet meer zo inktzwart; er was inmiddels een maan opgekomen, voller dan vol.

Om drie uur ’s nachts vloog met veel misbaar de schuurdeur open en stond er een stomdronken kapitein voor ons, met de fles nog in zijn ene hand terwijl hij met een dikke tong “Vamos a Puno!” uitbraakte. Iedereen was meteen bij de les (nou ja, behalve hij); en weer wat hoopvoller…

Voetje voor voetje klommen we bij het royale maanlicht omlaag langs de rotsen. De motoren sloegen aan en daar gingen we, richting Puno.

Midden op het meer trok de dronkeman echter een kabel uit het motorblok en we lagen stil. Money wou hij hebben, anders ging hij niet verder. Nee, we gingen niet in discussie: money was wat we hem gaven, en snel ook. Money voor nog meer drank? Dat mocht onze zaak niet zijn. En oké, hij herstelde de kabelverbinding naar de motor en we voeren tenminste weer…

Het werd de koudste maar mooiste boottocht die ik ooit heb gemaakt of wellicht ooit nog zou maken: in kille, maar ook stille, genieting gleden we in een totale windstilte over een spiegelglad, volstrekt rimpelloos, maanverlicht meer, gehuld in de paardendekens die we hadden mogen lenen voor de overtocht.

Om halfzes in de ochtend klauterden we verkleumd de kade op.

En we haalden ons vliegtuig…

* Het Meer van Maracaibo, gelegen in westelijk Venezuela, is het grootste meer van Zuid-Amerika.